Selectiebeleid in het amateurvoetbal is oneerlijk

Blogs door Nick Veenbrink

Ik ben nog geen club tegen gekomen zonder selectiebeleid. Amateurclubs scouten de beste spelers uit een leeftijdscategorie en plaatsen die in een selectieteam. Het afgelopen half jaar heb ik onderzoek gedaan naar dit fenomeen. Naast de jaarlijkse onrust die teamindelingen bij clubs teweegbrengt, is selectiebeleid nog veel problematischer dan ik aanvankelijk dacht. Mijn bevindingen zijn dat we een grote groep kinderen onterecht uitsluiten van ontwikkelkansen en dat er een gevaar schuilt in de categoriebenadering selectie en niet-selectie. In dit artikel leg ik uit waarom ik vind dat we kinderen onterecht uitsluiten.

Door bezoek aan vele amateurverenigingen en inzage in hun beleid heb ik grofweg twee argumenten kunnen ontdekken om selectiebeleid te hanteren. Ten eerste, omdat clubs met hun eerste elftal op zo hoog mogelijk niveau willen spelen en daarom talentvolle spelers zo vroeg mogelijk goed willen opleiden. En ten tweede omdat clubs geloven dat kinderen die samenspelen met andere kinderen van gelijk niveau en motivatie meer plezier beleven. In dit artikel bespreek ik het eerste argument en probeer het te ontkrachten of nuanceren aan de hand van mijn bevindingen.

TALENTEN ZO VROEG MOGELIJK OPLEIDEN
Clubs verdelen de schaarse middelen en faciliteiten die ze ter beschikking hebben onevenredig over selectie- en niet-selectieteams. Behoor je tot een selectieteam dan kan het betekenen dat je een gediplomeerde trainer hebt, vaker traint en betere faciliteiten krijgt. Dat lijkt om verschillende redenen logisch. Hoe eerder je begint met het opleiden van talentvolle spelers, des te groter de kans dat zij ontwikkelen tot goede speler die later van waarde zijn voor het eerste elftal is de gedachte. Daarom is het vanzelfsprekend geworden dat we de meest talentvolle spelers zo jong mogelijk selecteren en al vaker laten trainen onder de best mogelijke begeleiding.

SCOUTEN IS ONBETROUWBAAR
Clubs gaan driftig aan de slag met interne en externe scouting om de talentvolle spelertjes eruit te pikken. Dit proces van selecteren en het herkennen van talent is gestoeld op twee aannames: dat talent zich lineair ontwikkelt en dat prestaties op latere leeftijd eerder voorspeld kunnen worden. Onderzoek toont echter aan dat het herkennen van potentie, zeker op jonge leeftijd, onbetrouwbaar is en dat talentontwikkeling grillig verloopt. Er valt niet met veel betrouwbaarheid te zeggen dat spelers die op jonge leeftijd als talent aangemerkt worden ook de potentie hebben daadwerkelijk de top te bereiken (Baker, 2012; Coté & Hancock, 2014). Dit maakt het herkennen van talent risicovol. Er valt niet met veel betrouwbaarheid te zeggen dat spelers die op jonge leeftijd als talent aangemerkt worden ook de potentie hebben daadwerkelijk het eerste elftal te bereiken.

Dat talentherkenning in sport een uiterst complexe en onbetrouwbare bezigheid is, blijkt ook uit de aanwezigheid van het geboortemaand effect. Het geboortemaand effect is de oververtegenwoordiging van kinderen eerder in het jaar geboren (vlak na de peildatum) dan spelers die later in een selectiejaar geboren zijn. Een mogelijke verklaring hiervan kan worden gevonden in het feit dat spelers uit de eerste paar maanden van het geboortejaar een voorsprong hebben in ontwikkeling en daardoor verder zijn in hun groei, maar ook in het feit dat ze al langer hebben kunnen voetballen omdat ze relatief ouder zijn.

We verkleinen kansen voor niet-selectiespelers
Een casus: Jip speelt in de onder 9-1 (selectie) en Michael in de onder 9-4 (niet-selectie). Jip krijgt drie keer per week 1 uur training onder begeleiding van een gediplomeerde trainer. Michael krijgt een keer per week 1 uur training van zijn vader, die geen cursus of trainerservaring heeft. Michael wil heel graag in een selectieteam spelen, maar wordt aan het einde van het seizoen niet goed genoeg bevonden voor een overgang naar de onder 10-1. Verklaarbaar, want hij mist over een seizoen genomen tenminste 80 trainingsuren ten opzichte van Jip. Daarbij mag je aannemen dat Jip ook ‘betere’ training krijgt. Hier kun je echter snel aan voorbij gaan als club: “zie je wel, we hebben het toen al gezien. Michael is niet goed genoeg.” Uiteraard is dit een fictieve casus om mijn punt te ondersteunen en ligt de werkelijkheid soms genuanceerder. Het verschil in goed begeleide trainingsuren stapelt zich echter jaarlijks op. De kans om nog een overstap te maken naar een selectieteam wordt voor Michael alleen maar kleiner.

Concluderend zijn er verschillende redenen genoemd die onderstrepen dat vroeg selecteren een grote groep kinderen uitsluit van ontwikkelkansen. Clubs snijden zichzelf daarmee in de vingers, want ze geven slechts een kleine groep spelers mogelijkheden om hun potentie goed te ontwikkelen. De onbetrouwbaarheid en complexiteit van talent herkennen op jonge leeftijd pleit er juist voor om een grote(re) groep spelers gelijk te benaderen.

In een volgend artikel komen mijn bevindingen wat betreft de categoriebenadering selectie en niet-selectie aan bod. Ik ga nader in op het argument van clubs dat het indelen op niveau ook leidt tot meer plezier. En dan met name hoe jeugdspelers en hun ouders het selectiebeleid van clubs ervaren. Daarnaast komen er enkele adviezen aan bod hoe met selectiebeleid om te gaan.

Neem voor meer informatie contact op via onderstaande gegevens. Ook ben ik erg benieuwd naar meningen en ideeën over selectiebeleid in het amateurvoetbal.

Nick Veenbrink is Consultant Sport bij NMC Bright. Hij heeft de masteropleiding Sportbeleid & Sportmanagement aan de Universiteit Utrecht afgerond en veel clubs begeleid die deelnamen aan het Kwaliteit & Performance Programma voor jeugdopleidingen in samenwerking met de KNVB.