Selectiebeleid in het amateurvoetbal: het labelen van spelers is gevaarlijk

Blogs door Nick Veenbrink

In mijn vorige artikel heb ik mijn eerste bevindingen uit onderzoek naar selectiebeleid gedeeld. Clubs willen presteren met hun eerste elftal en selecteren daarom jeugdspelers zo vroeg mogelijk om ze gericht op te leiden. Onderzoek toont echter aan dat vroeg selecteren onbetrouwbaar en complex is en daarom kwam ik tot de conclusie dat een grote groep kinderen onterecht uitgesloten wordt van (ontwikkel)kansen. In dit artikel ga ik nader in op de beleving van jeugdspelers. Hoe ervaren zij selectiebeleid bij amateurclubs?

Amateurclubs delen jeugdspelers in op niveau. Dit betekent dat de beste spelers onder 9 jaar in de O9-1 spelen en doorgaans neemt het niveau van spelers af naarmate het nummer oploopt. De gedachte hierachter is dat clubs geloven dat kinderen die samenspelen met andere kinderen van gelijk niveau meer plezier beleven. Daarnaast wordt onderscheid gemaakt in selectie en niet-selectie, omdat clubs menen dat spelers voetbal anders beleven. Hier ga ik nader op in en afsluitend geef ik enkele adviezen.

SPANNENDE WEDSTRIJDEN GEVEN MEER PLEZIER
Elke zaterdag zijn er al in de jongste leeftijdscategorien competitiewedstrijden die op leeftijd en niveau worden georganiseerd. Amateurclubs stellen een team samen dat past bij de leeftijd en het niveau van de competitie. De jeugdspelers vinden het belangrijk en plezierig om met spelers van gelijk niveau wedstrijden te spelen tegen gelijkwaardige tegenstanders. “Liever nipt verliezen dan met 10-0 winnen”, omschreef een jeugdspeler. Spelers vinden het spelen van spannende competitiewedstrijden dus belangrijk. Dit is een belangrijk argument voor clubs om spelers in te delen op niveau en met een ‘sterk’ team in de competitie te verschijnen.

NUMMERING VAN TEAMS BEINVLOEDT HET ZELFBEELD VAN JEUGDSPELERS
Iedere jeugdspeler die ik gesproken heb wil zo hoog mogelijk spelen. Spelen in een selectieteam geeft status en zelfvertrouwen vertellen de jeugdspelers. Spelers hechten daarbij veel waarde aan de nummering van teams. Zo sprak ik een speler uit de O13-4 (niet-selectie) die overwoog naar een andere club te gaan, omdat hij daar wel in de O13-1 zou komen. Want: “de O13-4 klinkt zo laag”, aldus diezelfde speler.

Selectieteams zijn een norm waar spelers zich aan spiegelen. Een speler gaat zichzelf beoordelen ten opzichte van het spelen in een selectieteam; ben ik goed genoeg om volgend seizoen in de O13-1 te spelen? Om erachter te komen hoe niet-selectiespelers tegen selectiebeleid aankijken, vroeg ik een speler uit de O13-3 (niet-selectie) of hij graag in een selectieteam wilde spelen. Hieronder zijn antwoord.

“Ik zou het wel willen, maar ik ben er niet goed genoeg voor […].” Niet-selectiespeler

Ik vroeg hem alleen of hij graag in een selectieteam wilde spelen. Zonder dat ik er expliciet om gevraagd heb, geeft hij aan zichzelf niet goed genoeg te vinden voor een selectieteam. Hier nog een voorbeeld:

“I: Zou [Ralf] graag in een selectieteam willen spelen?
R: Absoluut niet!
I: Waarom niet?
R: Omdat hij daar niet goed genoeg voor is.”
Ouder van een niet-selectiespeler

De manier waarop een niet-selectiespeler zichzelf beoordeelt ten opzichte van een selectieteam beïnvloedt de manier waarop een speler naar zichzelf kijkt. Het feit dat hij in een lager team speelt beinvloedt zijn zelfbeeld; “ik ben gewoon niet goed genoeg”. Voor geen van de niet-selectiespelers die ik gesproken heb was dit een stimulans om beter te worden. Hun negatieve zelfbeeld als speler remt het verlangen om in een selectieteam te willen spelen. Met andere woorden: wanneer een speler eenmaal als niet-selectiespeler bestempeld wordt, bestaat de kans dat dit het zelfbeeld dusdanig beïnvloedt dat hij of zij minder gemotiveerd raakt alsnog in een selectieteam te willen spelen.

“Als ze eenmaal toch wel zien dat ze [een selectieteam] niet kunnen halen, wordt je beleving om dat te willen halen ook minder denk ik.” Ouder niet-selectiespeler

Het is geen gezonde ontwikkeling dat de motivatie van kinderen om een betere speler te worden op een negatieve manier beïnvloed wordt. Als je hier de theorie van groeimindset aan koppelt, kun je stellen dat selectiebeleid zelfs een statische mindset stimuleert. Dit wil zeggen dat wij spelers bevestigen in de overtuiging dat talent en vaardigheden zijn aangeboren en vast staan. Zit je eenmaal in een niet-selectieteam, dan krijg je bevestigd dat je gewoon niet goed genoeg bent.

SPELERS BELEVEN VOETBAL NU EENMAAL ANDERS
Iedereen die ooit eens een beleidsplan van een amateurclub heeft gelezen zal onderstaande zin bekend voorkomen.

“[De jeugdopleiding is] waar talentvolle voetballers zich kunnen ontwikkelen, maar waar ook de minder talentvolle spelers met plezier kunnen voetballen.”

We hebben het dus over twee groepen: talentvolle en minder talentvolle voetballers en zijn van mening dat we die anders moeten bedienen. De ene groep ontwikkelt zich en de andere voetbalt met plezier. Een reden van clubs om onderscheid te maken in talentvolle (selectie) en minder talentvolle (niet-selectie) spelers is dat niet ieder kind zit te wachten op ‘serieuze’ training. Er zijn ook kinderen die enkel voetballen voor hun plezier en op zoek zijn naar gezelligheid. Kinderen beleven voetbal dus op een andere manier en dat is een belangrijke reden om onderscheid te maken in selectie en niet-selectie.

Spelers worden dus ingedeeld op hoe ze voetbal beleven. Ik heb spelers en ouders gevraagd om een aantal kenmerken te noemen van een selectiespeler en een niet-selectiespeler. Daar kwam het volgende uit: selectiespelers zijn competitief, hard en serieus met voetbal bezig. Niet-selectiespelers zijn minder competitief, zijn vooral ‘bezig’ en voetballen voor de gezelligheid. En dit beeld wat we van een selectiespeler en niet-selectiespeler hebben vind ik gevaarlijk!

Wij, de volwassenen die het voor het zeggen hebben in het jeugdvoetbal, beredeneren dat kinderen uit selectieteams meer gemotiveerd zijn om een betere speler te worden en voetbal anders beleven dan spelers uit niet-selectieteams, want die voetballen vooral voor de gezelligheid.

Ik draai het om.

Wij creëren een verwachtingspatroon voor kinderen waar ze vanzelf aan gaan voldoen. Door op jonge leeftijd al een label te plakken op een speler – selectie of niet-selectie – hebben wij voor die speler bepaald hoe hij of zij voetbal beleeft.

Om spelers naar dit verwachtingspatroon te vormen gebruiken volwassenen (jeugdtrainers en ouders) verschillende methoden om het gedrag van jeugdspelers te beïnvloeden. Door bijvoorbeeld het geven van complimenten of toekennen van speeltijd bij wedstrijden. Hieronder een aantal voorbeelden van de manier waarop wij kinderen vormen naar een verwachtingspatroon.

Zo vinden trainers het belangrijk dat selectiespelers vooral ‘serieus’ trainen, dat ze niet zomaar een training afzeggen en niet te veel lol maken bij trainingen. Voldoe je niet aan dit verwachtingspatroon, dan lig je misschien wel uit de selectie.

“Ja als je niet serieus bent, dan ga je er gewoon uit.” Selectiespeler

“Bij de O13-4 dan hoor je ook weleens dat als ze moe zijn of even geen zin hebben dat ze dan gewoon even niet naar de training komen. Maar onze trainers zeggen weleens dat als je zonder reden niet naar de training komt dat je dan gewoon wissel staat op zaterdag. Dan start je gewoon niet in de basis.” Selectiespeler

Door gedrag van volwassenen en regels die wij bij spelers neerleggen, creeren we een verwachtingspatroon. Van selectiespelers verwachten we dat ze niet op wintersport gaan tijdens competitieweken en bij niet-selectiespelers is het niet zo erg als je voor een verjaardagsfeestje de training afzegt, want het moet natuurlijk wel leuk blijven.

Dit vraagt dat clubs en trainers zich ontzettend bewust moeten zijn van de invloed die zij op hun spelers hebben. Het gevaar bestaat dat we kinderen als volwassenen gaan behandelen waarbij we de belevingswereld en leeftijd uit het oog verliezen.

DUURZAAM BINDEN VAN JEUGDSPELERS
De waarheid is genuanceerder dan ik hierboven schets. Het is afhankelijk van de context bij een club en van de individuele speler, dat besef ik me heel goed. Wel wil ik iedereen aansporen voorzichtig te zijn met categoriseren en labelen van jeugdspelers. Er zijn voldoende niet-selectiespelers die ontzettend gemotiveerd zijn en zich willen ontwikkelen. Alle spelers verdienen een (ontwikkel)kans. Al is het omdat we allemaal de voorbeelden kennen van de speler uit de onder 13-5 die opeens kwam bovendrijven bij de onder 15 en alsnog selectiespeler werd.

Ik ben van mening dat de prestatieve ambities van amateurclubs ten onrechte de boventoon voeren in het amateurvoetbal. In het amateurvoetbal zou het duurzaam binden van jeugdspelers centraal moeten staan wat mij betreft. Vroeg selecteren en specialiseren past daar niet bij (Coté & Hancock, 2014). Door kinderen vrijheid te geven meerdere sporten te beoefenen en het voetbal meer spelenderwijs aan te bieden, in plaats van ze ‘serieus’ te laten trainen, worden negatieve effecten (uitval of blessures) op latere leeftijd voorkomen. Daarom pleit ik ervoor om, zeker in de onderbouw, alle jeugdspelers zo lang mogelijk, zo veel mogelijk en zo goed mogelijk ontwikkelkansen te bieden door voetbal spelenderwijs aan te bieden. Dit gaat uiteindelijk zelfs positief bijdragen aan de prestatieve ambitie van clubs: opleiden voor het eerste elftal (zie mijn vorige artikel).

OPLOSSINGEN
Ik heb niet één ideaal model voor ogen. Ik worstel zelf namelijk ook nog met de gedachte dat indelen op (ambitie)niveau zorgt voor meer plezier, maar ook zorgt voor uitsluiting. Zie onderstaande adviezen dan ook als een denkrichting die naar een concrete oplossing toewerkt:

  • Stel het moment van selecteren van jeugdspelers zo lang mogelijk uit.
  • Goede trainers beter benutten. Een gediplomeerde trainer niet slechts aan één team te verbinden. Als trainer van één team beïnvloedt hij/zij 10-15 spelers. Maak een gediplomeerde trainer verantwoordelijk voor een hele leeftijdscategorie of stel een roulatieschema op, zodat hij of zij meer kinderen beter kan leren voetballen.
  • Flexibel omgaan met indelingen. Bij trainingen vaker wisselen in de samenstelling van teams. Andere samenstelling van teams geeft je als clubs de kans om spelers beter met elkaar te vergelijken, daarbij komen spelers met verschillende niveau’s in aanraking wat aanpassing vraagt. Dit kun je bijvoorbeeld doen door elk kwartaal teams opnieuw in te delen of in een leeftijdscategorie een keer per maand een toernooi te organiseren waarbij spelers van meerdere teams met en tegen elkaar spelen.
  • Laat alle spelers uit een leeftijdscategorie tegelijkertijd trainen. Dit geeft je mogelijkheid om de twee aanbevelingen hiervoor praktisch toe te passen.
  • Experimenteer met de criteria voor teamindelingen, door bijvoorbeeld spelers een trainingsweek op geboortemaand in te delen of met bio-banding te experimenteren. Ook kun je overwegen om gemiddelde teams samen te stellen, zoals vaak bij de mini-pupillen gebeurt die een interne competitie spelen. Alle teams in een leeftijdscategorie zijn dan ongeveer van gelijkwaardig niveau.
  • Probeer spelers te beoordelen op hun ontwikkeling in plaats van hun bijdrage tijdens wedstrijden. Een vroegrijpe en sterke speler die veel scoort en duels wint valt bij wedstrijden waarschijnlijk meer op dan een laatrijpe speler die zich wel heel goed ontwikkelt. Zoek naar een manier om de ontwikkeling van spelers meetbaar te maken. Maak het leervermogen van spelers leidend bij het indelen van spelers.
  • Categorisaties loslaten. Zo min mogelijk onderscheid maken tussen selectie- en niet-selectieteams in de voorwaarden en faciliteiten. Het is een overweging waard om de benaming (selectie en niet-selectie) helemaal los te laten.

Neem voor meer informatie contact op via onderstaande gegevens. Ook ben ik erg benieuwd naar meningen en ideeën over selectiebeleid in het amateurvoetbal.

Nick Veenbrink is Consultant Sport bij NMC Bright. Hij heeft de masteropleiding Sportbeleid & Sportmanagement aan de Universiteit Utrecht afgerond en veel jeugdopleiding begeleid middels het Kwaliteit & Performance Programma voor jeugdopleidingen in samenwerking met de KNVB.